Neonatale Isoerythrolysis bij het veulen
Neonatale Isoerythrolysis (NI) staat bij de fokkers beter bekend als de “Resusfactor”. Het is een immunologische aandoening die ervoor zorgt dat de rode bloedcellen van het veulen vernietigd worden. Deze aandoeningen komen zelden voor bij paarden en pony’s (meer frequent bij muildieren). Klinisch wordt de ziekte gekenmerkt door gele slijmvliezen en afhankelijk van de ernst van de aandoening verzwakking met een fatale afloop. De ziekte is eenvoudig te voorkomen en te behandelen mits vroegtijdige herkenning. Hierna volgt een kort overzicht over de oorzaak, het ziekteverloop en de behandeling van NI.
Wat is de oorzaak van NI? De oorzaak van de aandoening is enigszins te vergelijken met de Resusfactor bij moeder en kind. Wanneer de bloedgroep van het veulen gelijk is aan die van de moeder dan is er geen probleem. Echter als de bloedgroep van de hengst en merrie verschillen, en het veulen heeft de bloedgroep van de hengst, dan kan zich het probleem voordoen. Het is dus de combinatie merrie-hengst die niet past.
Hoe zit het met de bloedgroepen bij het paard? Het paard heeft zeven verschillende bloedgroepen. Deze bloedgroepen hebben ieder weer verschillende factoren. De bloedgroep Aa en Qa zijn de meest voorkomende veroorzakers van NI. Dus stel het veulen heeft bloedgroep Aa of Qa (van de hengst gekregen) en de merrie niet. In dit geval worden de rode bloedcellen van het veulen bij contact met die van de merrie gezien als lichaamsvreemd.
Hoe komt de merrie nu in contact met het bloed van het veulen? Dit kan op twee manieren: 1. Tijdens de vorige bevalling (NI treedt nooit bij de eerste bevalling op!) is er uitwisseling tussen het bloed van merrie en veulen geweest. 2. De merrie heeft ooit een bloedtransfusie gehad. De merrie heeft dus “antistoffen” in het bloed die bij contact met het bloed van het veulen ervoor zorgen dat de rode bloedcellen van het veulen vernietigd zullen worden.
Hoe komt het bloed van het veulen nu in contact met deze antistoffen? Deze antistoffen kunnen (in tegenstelling met de mens) alleen via de melk worden opgenomen. Het colostrum (moedermelk), de eerste melk na de bevalling bevat hoge concentraties van deze antistoffen. Het veulen is alleen gedurende de eerste dag in staat deze antistoffen via het darmstelsel op te nemen in het bloed. Eens opgenomen zullen de antistoffen op de rode bloedcellen van het veulen binden en deze vernietigen.
Wat is er “aan de buitenkant” van het veulen te zien? De klinische tekens van de aandoening zijn geheel afhankelijk van de hoeveelheid opgenomen antistoffen (de kwaliteit van de moedermelk). Het veulen wordt geboren en ziet er kerngezond uit. Na enkele uren tot dagen (soms tot een week na de geboorte!) begint het veulen sloom te worden en minder te drinken. Heel kenmerkend is dat de slijmvliezen eerst bleek en daarna geel worden. In erge gevallen plast het veulen donkere urine. Opgelet: deze symptomen kunnen ook aanwezig zijn bij andere aandoeningen, bel hoe dan ook uw dierenarts!
Wat is de behandeling? Wanneer het veulen jonger is dan twee dagen dan dient onmiddellijk te worden voorkomen dat het nog meer moedermelk opneemt. Afhankelijk van de concentratie van de rode bloedcellen bij het veulen is een bloedtransfusie soms de enige mogelijkheid. Verder is het belangrijk dat het veulen “supportive care” krijgt (warm houden, goed in de gaten houden, preventief medicatie geven). De prognose is, mits vroegtijdig herkend, gunstig.
Wat nu verder? Als de behandeling goed is aangeslagen kan het veulen reeds snel weer bij de merrie drinken (het kan namelijk geen antistoffen meer opnemen). Een bloedonderzoek moet uitwijzen of de merrie inderdaad deze specifieke antistoffen in haar bloed heeft. Is dit het geval dan betekend dit dat een kruising van deze merrie met een hengst (met bloedgroep Aa of Qa) is af te raden. Het is mogelijk om via het laboratorium een lijst te krijgen waarop de hengsten vermeld staat waarmee wel gedekt kan worden zonder enig risico.
Wat als men toch weer met dezelfde hengst wil dekken? In dat geval is het zeer belangrijk dat het veulen de eerste dagen geen moedermelk van de merrie krijgt. Het veulen moet dan gescheiden worden en moedermelk van een andere merrie drinken of een plasma-infuus van de dierenarts krijgen zodat het wel voldoende afweerstoffen binnenkrijgt.
Conclusie NI komt zelden (maar toch wel) voor en is gekenmerkt door sloom worden, minder drinken en gele slijmvliezen bij het veulen. Mits vroegtijdig herkend (raadpleeg Uw dierenarts!) is een behandeling goed mogelijk. Een aanbeveling is om in dit geval bloed van de merrie te laten controleren om op die manier een juist dekadvies te krijgen.
Erik Bergman
|